beklemmen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·klem·men
Woordherkomst en -opbouw
  • Samenstelling van klemmen met het voorvoegsel be-
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
beklemmen
beklemde
beklemd
zwak -d volledig

Werkwoord

beklemmen

  1. overgankelijk vasthouden in een klem
    • Je moet het voorwerp goed beklemmen. 
  2. overgankelijk een bedrukt gevoel geven
    • Dat spul beklemt me behoorlijk. 
  3. overgankelijk (juridisch) iemand onder beklemrecht brengen
    • Wij zullen u beklemmen. 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.