benauwend

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·nau·wend
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen benauwend benauwender benauwendst
verbogen benauwende benauwendere benauwendste
partitief benauwends benauwenders -

Bijvoeglijk naamwoord

benauwend

  1. angst opwekkend
    Het gaf een benauwend gevoel om te weten dat we er een aantal uur niet uit zouden kunnen.
Synoniemen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
benauwen

benauwend

  1. onvoltooid deelwoord van benauwen