bekalken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·kal·ken
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

bekalken [1]

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bekalken
bekalkte
bekalkt
zwak -t volledig
  1. met kalk bestrooien
    • Op korte termijn is het volgens Van der Burg een oplossing om de bodem te bekalken met grove korrels die vogels kunnen eten. Op lange termijn is dat echter 'dweilen met de kraan open', stelt hij. [2] 
    • Of de biodiversiteit in de bossen zich spontaan herstelt valt nog te bezien. Voor de hand ligt het herstel te versnellen met een compenserende bemesting - remedial fertilization. Met bekalking dus, al is daar in het buitenland niet erg gunstige ervaring mee opgedaan. ``Bekalking lijkt mij levensgevaarlijk, zegt Van Breemen, ``dan zet je de hele boel op zijn kop. Toch dringen belangengroepen in Scandinavië erop aan de productiebossen daar op grote schaal te gaan bekalken, maar dat is vooral met het oog op de houtproductie. [3] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

89 % van de Nederlanders;
87 % van de Vlamingen.

Verwijzingen