bekalkte

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·kalk·te

Werkwoord

vervoeging van
bekalken

bekalkte

  1. enkelvoud verleden tijd van bekalken
    • Ik bekalkte. 
    • Jij bekalkte. 
    • Hij, zij, het bekalkte. 
  2. verbogen vorm van bekalkt, voltooid deelwoord van bekalken