begrazen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·gra·zen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
begrazen
begraasde
begraasd
zwak -d volledig

Werkwoord

begrazen

  1. overgankelijk de begroeiing door vee laten opeten
    • De kuddes van de nomaden moeten steeds andere gebieden begrazen omdat de begroeiing zo karig is. 

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
91 % van de Vlamingen.