begraasde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·graas·de

Werkwoord

vervoeging van
begrazen

begraasde

  1. enkelvoud verleden tijd van begrazen
    • Ik begraasde. 
    • Jij begraasde. 
    • Hij, zij, het begraasde. 

Deelwoord

begraasde

  1. verbogen vorm van het voltooid deelwoord begraasd van begrazen

Bijvoeglijk naamwoord

begraasde

  1. verbogen vorm van de stellende trap van begraasd