bedwang

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·dwang
enkelvoud meervoud
naamwoord bedwang -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

bedwang o

  1. controle.
     Ze kreeg haar ademhaling snel in bedwang.[1]
  2. iemand of iets in bedwang houden: iets of iemand onder controle houden
    • Ik moet hem al jaren lang in bedwang houden. 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Suzanne Vermeer op WikipediaAll-inclusive” op Wikipedia (2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht, ISBN 90-229-9182-2
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be