bedillerig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·dil·le·rig
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen bedillerig bedilleriger bedillerigst
verbogen bedillerige bedillerigere bedillerigste
partitief bedillerigs bedillerigers -

Bijvoeglijk naamwoord

bedillerig [1]

  1. op een onaangename manier bemoeizuchtig
     Maar dat bedillerige, het voorschrijven wat de toeristen wel of niet zouden mogen drinken, dat schiet de overgrote meerderheid van de lezers totaal in het verkeerde keelgat (!).[2]
     Het is een oude gedachte: baas in eigen buik. Gevolg is dat men Gods wet steeds meer als bedillerig gaat ervaren. De wet past niet bij de vrijheidsopvatting van veel mensen.[3]
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

68 % van de Nederlanders;
36 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Bronlink Weblink bron MARJOLEIN SCHIPPER “Drooglegging” (02 mei 2015), De Telegraaf
  3. Bronlink Weblink bron “"Geen reformatie, geen nadere reformatie maar een radicale reformatie"” (08-05-2008), Reformatorisch Dagblad