bedekt

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·dekt

Werkwoord

vervoeging van
bedekken

bedekt

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bedekken
    • Jij bedekt. 
  2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bedekken
    • Hij bedekt. 
  3. verouderde gebiedende wijs meervoud van bedekken
    • Bedekt! 
  4. voltooid deelwoord van bedekken
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen bedekt bedekter bedektst
verbogen bedekte bedektere bedektste
partitief bedekts bedekters -

Bijvoeglijk naamwoord

bedekt

  1. met iets eroverheen, zodat je het niet ziet
    • Zoals aangegeven, ziet de regering het als een maatschappelijke norm dat burgers elkaar in bepaalde situaties niet met bedekt gezicht tegemoet treden, elkaar kunnen herkennen en in het gezicht kunnen kijken. [1]
  2. met iets dat het beschermt
    • Rond de hele vesting liep een bedekte weg achter een aarden wal. 
  3. niet openlijk
    • De uitbundige lof voor haar inzet was ook een bedekt verwijt aan haar man, die nooit iets deed. 
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen