banditisme

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ban·di·tis·me
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord banditisme -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

banditisme o

  1. het optreden van bandieten, georganiseerde misdadigheid

Gangbaarheid

56 % van de Nederlanders;
85 % van de Vlamingen.