Naar inhoud springen

babylon

Uit WikiWoordenboek
  • ba·by·lon
enkelvoud meervoud
naamwoord babylon babylons
verkleinwoord

hetbabylono

  1. een plek of situatie waar iedereen door elkaar praat, wat verwarring schept
    • Hij zucht en voelt dat hij leeft en in zijn hoofd is een babylon van stemmen en talen. [1]
  2. een stad waar overdaad en zedeloosheid regeren
    • Camille genoot met volle teugen van Parijs, voor haar broer Paul was de stad een babylon, een plaats vol verleiding en verderf. [2]
  1. Jeroen Brouwers, Joris Ockeloen en het wachten
  2. Jan Fontijn, Opgebouwd uit hetzelfde
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  babylon     le babylon     babylons     les babylons  

babylon m

  1. (spreektaal) smeris, juut
    «Les babylons ont frappé dessus.»
    De flikken hebben erop geslagen. [1]