baarlijk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • baar·lijk
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van baar met het achtervoegsel -lijk
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen baarlijk baarlijker baarlijkst
verbogen baarlijke baarlijkere baarlijkste
partitief baarlijks baarlijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

baarlijk

  1. zich in zijn ware vorm vertonend
    • Dat is baarlijke nonsens. 
Synoniemen

Gangbaarheid

74 % van de Nederlanders;
78 % van de Vlamingen.