avontuurlijk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • avon·tuur·lijk
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen avontuurlijk avontuurlijker avontuurlijkst
verbogen avontuurlijke avontuurlijkere avontuurlijkste
partitief avontuurlijks avontuurlijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

avontuurlijk

  1. graag avonturen willend
    • Jij bent echt een avontuurlijk persoon! 
     Tatertot was een prachtige vrouw van in de dertig die bij de start van haar PCT haar hoofd tegen de hitte had kaalgeschoren. Ze hield van extremen, een avontuurlijke levensgenieter die altijd leven in de brouwerij bracht.[1]
  2. veel onverwachte en spannende situaties opleverend
    • Dit is wel een heel avontuurlijke onderneming geworden ... 
    • Deze geheel verzorgde vakantie kun je moeilijk avontuurlijk noemen. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be