avontuurlijk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • avon·tuur·lijk
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen avontuurlijk avontuurlijker avontuurlijkst
verbogen avontuurlijke avontuurlijkere avontuurlijkste
partitief avontuurlijks avontuurlijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

avontuurlijk

  1. graag avonturen willend
    • Jij bent echt een avontuurlijk persoon! 
  2. veel onverwachte en spannende situaties opleverend
    • Dit is wel een heel avontuurlijke onderneming geworden ... 
    • Deze geheel verzorgde vakantie kun je moeilijk avontuurlijk noemen. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.