associëren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • as·so·cië·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘verbintenis aangaan’ voor het eerst aangetroffen in 1600 [1]
  • afgeleid van het Franse associer (met het achtervoegsel -eren) [2] [3]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
associëren
associeerde
geassocieerd
zwak -d volledig

Werkwoord

associëren

  1. tot compagnon maken of nemen
    • Het associëren bracht voor beide partijen voordeel bij. 
  2. overgankelijk een betrekking leggen tussen twee begrippen
    • Hij associeerde dat woord altijd met zijn slechte ervaringen als kind. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen