applicator

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ap·pli·ca·tor
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord applicator applicatoren
applicators
verkleinwoord applicatortje applicatortjes

Zelfstandig naamwoord

applicator m

  1. (gereedschap) hulpmiddel voor aanwending of aanbrengen van een substantie