ansprechen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Duits

Uitspraak
Woordafbreking
  • an·spre·chen
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

ansprechen

  1. overgankelijk aanspreken, toespreken, benaderen met een vraag of betoog
  2. overgankelijk aansnijden, ter sprake brengen
  3. overgankelijk aanspreken, bevallen
  4. onovergankelijk aanspreken, in de smaak vallen
  5. onovergankelijk reageren op de gewenste manier