allergrootst

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • al·ler·grootst
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen allergrootst
verbogen allergrootste

Bijvoeglijk naamwoord

allergrootst

  1. zo heel erg groot dat het nog groter niet denkbaar is
     Nog een lijn die refereerde aan haar allergrootste verdriet kon te veel van het trieste zijn.[2]
Antoniemen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Suzanne Vermeer op WikipediaAll-inclusive” op Wikipedia (2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht, ISBN 90-229-9182-2
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be