afzitten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·zit·ten
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

afzitten [1]

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afzitten
zat af
afgezeten
klasse 5 volledig
  1. afstand bewaren
     "Als andere bedrijven verder van de weg willen afzitten, is dat hun keuze."[2]
     Wil je graag wat fysiek contact met je date? Ga dan vooral niet te ver van hem afzitten maar raak hem af en toe subtiel aan. “Aanraking is een krachtig mechanisme voor mannen”, aldus Christopher.[3]
     De ’Dutch reach’ is volgens Metro.co.uk een term voor het openen van het autoportier, die als volgt (klik voor foto) werkt: raampje omlaag draaien, achteruit kijken of er fietsers aankomen en vervolgens met de hand die het verst van het raam afzit het portier openen.[4]

Gangbaarheid

60 % van de Nederlanders;
56 % van de Vlamingen.[5]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Bronlink Weblink bron “AOC Oost wil aan slag” (10-06-2008), Tubantia
  3. Bronlink Weblink bron “Subtiel je man manipuleren” (04 jan. 2016), De Telegraaf
  4. Bronlink Weblink bron “Britten krijgen advies: gebruik ’Hollandse greep’” (11 feb. 2017), De Telegraaf
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be