aftapplug

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·tap·plug
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord aftapplug aftappluggen
verkleinwoord aftapplugje aftapplugjes

Zelfstandig naamwoord

aftapplug v/m [1]

  1. stop die men verwijdert als men een vloeistof wil laten afvloeien; afsluiting van een aftapopening
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

80 % van de Nederlanders;
64 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen