aftapper

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·tap·per
Woordherkomst en -opbouw

naamwoord van handeling aftappen met het achtervoegsel -er

enkelvoud meervoud
naamwoord aftapper aftappers
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

aftapper m [1]

  1. iemand die iets afneemt van een stroom die voor iets of iemand anders bestemd is
    • In de bossen bevinden zich gemeenlijk veel wandelaars, zoals daar zijn de flierefluiters, boeren op weg naar hun landje, jagers op vogels en hars-aftappers. Menige wandelaar rookt. Zo zorgt de Portugese lucifer, het produkt van afgebrand hout, voor nieuwe branden. Voor nieuw afgebrand hout, geschikt - onder meer - voor lucifers. [2] 
    • Nu probeert de Tsjetsjeense president, Aslan Maschadov, een einde te maken aan die struikroversmentaliteit. Zijn minister van Binnenlandse Zaken heeft de oorlog verklaard aan de aftappers. Tweeduizend gardisten zouden de laatste maanden “enkele honderden” huisraffinaderijtjes hebben ontmanteld. Van de 209 aangehouden tankauto's bleken er 110 gestolen olie te vervoeren. [3] 
    • Een internationaal gezelschap van wetenschappers bindt in Heidelberg vier dagen lang de strijd aan met de lijkwade van Turijn, New Age-geneeskunde, aftappers van nulpuntenergie, einde der tijden-kometen, en nog zo wat. [4] 


Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
89 % van de Vlamingen.


Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Gerrit Komrij 25 september 1991 Een en ander
  3. NRC Frank Westerman 20 januari 1998 'Oliepiraten' loeren op Kaspische pijpleiding
  4. NRC Dirk van Delft 20 juni 1998 Verleid door een Alien