Naar inhoud springen

afhollen

Uit WikiWoordenboek
  • af·hol·len

afhollen

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afhollen
holde af
afgehold
zwak -d volledig
  1. overgankelijk allemaal haastig bezoeken
     Leeft Mark Rutte nog? Temidden van [sic!] de hoogoplopende consternatie over de mogelijk vertrekkende Balkenende, de splinternieuwe Job Cohen, de herboren Halsema, de stuntman Wilders en de studio’s afhollende Pechtold, is het opvallend stil rond de VVD-lijsttrekker.[2]
     Timothy Castagne mocht bij Atalanta de rechterflank op- en afhollen en voelde zich in zijn sas in die rol.[3]
  2. overgankelijk naar beneden rennen over
53 %van de Nederlanders;
71 %van de Vlamingen.[4]
  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Bronlink Weblink bron “Let op Rutte!” (07/04/2010), HP de Tijd
  3. Bronlink Weblink bron
    vtvn
    “Milan en Atalanta dollen met tegenstand, Anderlecht-doelwit mist, nederlaag voor Arsenal” (23/11/2017), De Standaard
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be