afhandling

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Deens

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·hand·ling
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Deense werkwoord afhandle, dat uit het Nederduits komt
  • Deens zelfstandig naamwoord met het voorvoegsel af- en met het achtervoegsel -ing
Naar frequentie 12588
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   afhandling     afhandlingen     afhandlinger     afhandlingerne  
genitief   afhandlings     afhandlingens     afhandlingers     afhandlingernes  

Zelfstandig naamwoord

afhandling, g

  1. (wetenschap) verhandeling
Afgeleide begrippen