afblussen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·blus·sen
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

afblussen

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afblussen
bluste af
afgeblust
zwak -t volledig
  1. (kookkunst) toevoegen van een koude vloeistof (bijvoorbeeld wat of wijn) aan heet (gebraden of gebakken) voedsel in een pan
    • Verwijder het braadvet uit de pan en voeg de gehakte sjalotjes toe even fruiten en afblussen met de rode port, vervolgens de fond toevoegen en tot de gewenste dikte inkoken. [1] 
  2. remmen van mensen die opgewonden zijn
    • Barend en Witteman had gisteren niet alleen de overheidsgezagsdragers uitgenodigd maar ook de gespierde uitsmijters die 's nachts het eigenlijke werk moeten doen. Dikke koppen, brede borstkasten, een paardenstaart een zilveren halsketting. Zulke mensen geven me een ongemakkelijk gevoel en dat is juist de bedoeling. ,,Door een groter postuur kun je mensen afblussen', zei er een. Je bent blij dat ze zo'n nacht in functie zijn en niet tot het uitgaanspubliek behoren. Maar de officiële gezagsdragers maken ze minder relevant. De disco wordt een commerciële vesting met een eigen politiemachtje van bodybuilders, vechtjassen of voormalige bajesklanten. [2] 
  3. mensen voorzien van (alcoholische) drank
    • Een kleine zestigduizend Vlamingen maken dit weekeinde het grensdorpje Hoogerheide onveilig. Ze willen gezien en gehoord worden, zullen hun ruige adoratie voor Sven Nys en Kevin Pauwels afblussen met liters bier. Saletjonkers en plooirokjes zijn niet present, in Hoogerheide. De meute loopt in laarzen en dichtgesnoerde boerenkielen. Je kan er zo riek en hooivork bij denken. En uit de verte de panoramische treurnis van de Groote Oorlog.[3] 


Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
81 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Ronald Hoeben 22 december 2014 NRC
  2. Maarten Huygen 13 januari 1999
  3. Hugo Camps 1 februari 2014 NRC