ache

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Engels

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudengelse woord acan.
vervoeging
onbepaalde wijs to ache
he/she/it aches
verleden tijd ached
voltooid
deelwoord
ached
onvoltooid
deelwoord
aching
gebiedende wijs ache

Werkwoord

ache

  1. (onovergankelijk) pijn doen, zeer doen
    «In the morning his joints were always aching
    's Morgens deden zijn gewrichten altijd zeer.
  2. (onovergankelijk) verlangen
Afgeleide begrippen
Afgeleide begrippen
enkelvoud meervoud
ache aches

Zelfstandig naamwoord

ache

  1. pijn
    «The ache in his joints kept getting worse.»
    De pijn in zijn gewrichten werd alsmaar erger.