aanlijken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·lij·ken
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

aanlijken [1]

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanlijken
lijkte aan
aangelijkt
zwak -t volledig
  1. (scheepvaart) omboorden van een zeil met een touw

Gangbaarheid

24 % van de Nederlanders;
23 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen