aaiend
Uiterlijk
- aai·end
| vervoeging van: | aaien |
| verbogen vorm: | aaiende |
aaiend
- onvoltooid deelwoord van aaien
- ▸ Ik verbeeldde me dat er een glazen kasje was gebouwd, waar een tiental van onze embryo's onder een zacht lichtje lagen te broeien tot de versmolten zaadeitjes zouden uitkomen en er aan piepkleine worteltjes minimensjes zouden groeien. Vertederd zouden jij en ik erboven hangen, met onze vingertoppen zachtjes aaiend over ons nageslacht.[1]
- ▸ Maar ik heb hem nooit meer gezien sinds dat laken in het mortuarium over zijn gezicht ging. Ik wil mijn vingers op zijn slapen leggen en aaiend heen en weer bewegen, als kleine ruitenwissers van troost.[1]
1.
- Het woord aaiend staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- 1 2 Ronald Giphart e.a.“Een familie en een Griekse god” (2023), The House of Books, ISBN 9789044366471