wip
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Woordafbreking
- wip
| 1 | enkelvoud | meervoud |
|---|---|---|
| naamwoord | wip | wippen |
| verkleinwoord | wipje | wipjes |
Zelfstandig naamwoord
| 2 | enkelvoud | meervoud |
|---|---|---|
| naamwoord | wip | - |
| verkleinwoord | - | - |
wip
- v/m een speeltuig bestaande uit een balk die in het midden op een verhoogde steun rust
- De kinderen vermaakten zich op de wip en de schommel van de speeltuin.
- m het wippen
- Na een enkele wip met zijn staart vloog de vogel op.
Synoniemen
- [1]: wipwap
Uitdrukkingen en gezegden
- op de wip zitten
ongedurig zijn, zijn ongeduld of onrust nauwelijks kunnen bedwingen
Vertalingen
1. een speeltuig bestaande uit een balk die in het midden op een verhoogde steun rust
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| wippen |
wip
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wippen
- Ik wip.
- gebiedende wijs van wippen
- Wip!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wippen
- Wip je?
Afrikaans
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | wip | wippe |
Zelfstandig naamwoord
wip