schommel
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- schom·mel
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | schommel | schommels |
| verkleinwoord | schommeltje | schommeltjes |
Zelfstandig naamwoord
schommel m
- een hangend speeltuig bestaande uit touw en een zitje
- Die schommel is erg in trek bij de kinderen.
Vertalingen
1. een hangend speeltuig bestaande uit touw en een zitje
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| schommelen |
schommel
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schommelen
- Ik schommel.
- gebiedende wijs van schommelen
- Schommel!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schommelen
- Schommel je?