wankel
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- wan·kel
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | wankel | wankeler | wankelst |
| verbogen | wankele | wankelere | wankelste |
Bijvoeglijk naamwoord
wankel
- wat niet stevig staat
- Binnen een uur zal het veulen proberen te gaan staan, wat in het begin nog wat wankel gaat.
- (figuurlijk) onbestendig
Synoniemen
- [1]: labiel, onvast
- [2]: veranderlijk, wisselvallig
Antoniemen
- [1-2]: stabiel
Verwante begrippen
- [1-2]: wankelen
Uitdrukkingen en gezegden
- [1]: wankel op zijn benen
- [2]: een wankele gezondheid hebben
dikwijls ziek zijn, vatbaar zijn voor ziekten
Vertalingen
| stellend | vergrotend | overtreffend |
|---|---|---|
| wankel | wankeler | het wankelst |
Bijwoord
wankel
- in wankele wijze
- (figuurlijk) in onbestendige wijze
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| wankelen |
wankel