wankelen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
wankelen wankelend
wankeling gewankeld
- wankelbaar
Woordafbreking
  • wan·ke·len
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
wankelen
wankelde
gewankeld
zwak -d volledig

Werkwoord

wankelen

  1. (inergatief) onvast op de voeten staan, dreigen te vallen
    De plotselinge windvlaag deed hem wankelen.
  2. (ergatief) op onvaste wijze zich ergens heen begeven
    Hij is stomdronken naar huis gewankeld.
Vertalingen