veter

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Een schoenveter

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ve·ter
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord veter veters
verkleinwoord vetertje vetertjes

Zelfstandig naamwoord

veter m

  1. (textielindustrie), (schoeisel) een rijgkoord of rijgsnoer om delen van kledingstukken, schoeisel, zeilen ed. vaak tijdelijk en min of meer strak, aan elkaar te rijgen.
    De eindjes van een veter zijn meestal verhard, of zijn voorzien van veterstiften of maliën, zodat ze gemakelijk door de nestelgaten zijn te steken en niet uitrafelen tot een “kwast”.
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
veteren

veter

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van veteren
    Ik veter.
  2. gebiedende wijs van veteren
    Veter!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van veteren
    Veter je?
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl