nestel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Woordafbreking
  • nes·tel
enkelvoud meervoud
naamwoord nestel nestels
verkleinwoord nesteltje nesteltjes

Zelfstandig naamwoord

nestel m

  1. (kleding) een metalen of kunststoffen ringetje of buisje aan het eind van een veter dat rafelen tegengaat
    Je moet het nesteltje niet van de veter halen, want dan krijg je een kwast.
Synoniemen

Werkwoord

vervoeging van
nestelen

nestel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van nestelen
    Ik nestel.
  2. gebiedende wijs van nestelen
    Nestel!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van nestelen
    Nestel je?
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen