uitbuiting

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·bui·ting
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van buit met het voorvoegsel uit-.
enkelvoud meervoud
naamwoord uitbuiting
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

uitbuiting v

  1. het gebruik van iemand maken zonder daar naar waarde voor te belonen
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen