staken
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- sta·ken
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| staken |
staakte |
gestaakt |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
staken
- (inergatief) een werkonderbreking of (ludieke) actie houden voor betere arbeidsvoorwaarden of meer loon
- De arbeiders staken nu al vijf dagen lang.
- (overgankelijk) beëindigen
- Ze staakten alle werkzaamheden en namen vrij.
Afgeleide begrippen
Vertalingen
1. een werkonderbreking of (ludieke) actie houden voor betere arbeidsvoorwaarden of meer loon
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| steken |
staken
- meervoud verleden tijd van steken
- Wij staken.
- Jullie staken.
- Zij staken.
- Wij staken.
Zelfstandig naamwoord
staken mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord staak