snik
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- snik
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | snik | snikken |
| verkleinwoord | snikje | snikjes |
Zelfstandig naamwoord
snik m
- een geluid dat men voortbrengt bij verdriet of pijn
- Hij verried zijn verdriet met een enkele snik.
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| snikken |
snik
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van snikken
- Ik snik.
- gebiedende wijs van snikken
- Snik!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van snikken
- Snik je?
| stellend | |
|---|---|
| onverbogen | snik |
| verbogen | - |
Bijvoeglijk naamwoord
snik
- niet goed ~ zijn waanzinnig zijn
- Ik zie je toch dat die niet goed snik was?