schommelen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- schom·me·len
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| schommelen /ˈsxɔməˌlə(n)/ |
schommelde /ˈsxɔməˌldə/ |
geschommeld /ɣəˈsxɔməlt/ |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
schommelen
- (inergatief) op een schommel heen en weer bewegen
- De hele dag schommelt Jantje tot hij ervan duizelt.
- (inergatief) op en neer bewegen
- Door de nieuwe golf van aanslagen ging de olieprijs weer aan het schommelen.