reiziger
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- rei·zi·ger
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | reiziger | reizigers |
| verkleinwoord |
Zelfstandig naamwoord
reiziger m
- iemand die bezig is een reis te maken
- De reizigers waren gestrand doordat het noodweer het luchtverkeer tot een chaos gemaakt had.