toerist
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- toe·rist
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | toerist | toeristen |
| verkleinwoord | toeristje | toeristjes |
Zelfstandig naamwoord
toerist m
- een mannelijk persoon die voor zijn plezier reist
- In dat land werd hij als een toerist ontvangen.