programma

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pro·gram·ma
enkelvoud meervoud
naamwoord programma programma's
verkleinwoord programmaatje programmaatjes

Zelfstandig naamwoord

programma o

  1. (informatica) een applicatie voor de computer
    Hij schreef een nieuw programma in C++.
  2. aantal activiteiten voor een bepaalde tijd
    We hebben een heel programma om de kinderen bezig te houden.
  3. een uitzending op radio of televisie
    Het journaal is een veelbekeken programma.
  4. een los blaadje met informatie over de uitvoering of het concert dat men bijwoont
    Wilt u een programma, meneer?
  5. onderling afgesproken doelstelllingen en plannen
    Dit past niet binnen het programma van onze partij.
Synoniemen
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie


Italiaans

Zelfstandig naamwoord

programma v

  1. programma