programma
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- pro·gram·ma
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | programma | programma's |
| verkleinwoord | programmaatje | programmaatjes |
Zelfstandig naamwoord
programma o
- (informatica) een applicatie voor de computer
- Hij schreef een nieuw programma in C++.
- aantal activiteiten voor een bepaalde tijd
- We hebben een heel programma om de kinderen bezig te houden.
- een uitzending op radio of televisie
- Het journaal is een veelbekeken programma.
- een los blaadje met informatie over de uitvoering of het concert dat men bijwoont
- Wilt u een programma, meneer?
- onderling afgesproken doelstelllingen en plannen
- Dit past niet binnen het programma van onze partij.
Synoniemen
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
1. een applicatie voor de computer
Italiaans
Zelfstandig naamwoord
programma v