praktijk

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • prak·tijk
v/m [1] enkelvoud meervoud
naamwoord praktijk praktijken
verkleinwoord praktijkje praktijkjes
v/m [2] enkelvoud meervoud
naamwoord praktijk praktijken
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

praktijk v/m

  1. de ruimte waarin bijvoorbeeld een arts, fysiotherapeut of advocaat zijn/haar beroep uitoefent
    Omdat hard pratende mensen in de praktijk soms in de wachtkamer hoorbaar waren, liet de huisarts in de wachtkamer muziek spelen
  2. hoe dingen werkelijk gaan, soms in tegenstelling tot hoe zaken in theorie zouden moeten functioneren
    In de praktijk blijkt telkens weer dat een dergelijke opbouw van een winkelcentrum tot desolate plekken leidt.
mv enkelvoud meervoud
naamwoord - praktijken
verkleinwoord - -

praktijk mv

  1. gewoonte(n), manier van doen, handeling(en).
    Er is al verschillende keren aangegeven dat wij van zulke praktijken niet gediend zijn; als jullie zoiets nogmaals doen zal dat tot consequenties leiden.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Onderstaande vertalingen dienen nagekeken te worden en omgezet in de bovenstaande tabellen. Nummers na de vertalingen komen niet noodzakelijk overeen met de opgegeven definities. Voor meer uitleg zie WikiWoordenboek:Hoe vertalingen nakijken.