paren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pa·ren

Zelfstandig naamwoord

paren mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord paar


Spaans

Werkwoord

vervoeging van
parar

paren

  1. aanvoegende wijs derde persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van parar
  2. gebiedende wijs (bevestigend en ontkennend) derde persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van parar