pantser

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pant·ser
enkelvoud meervoud
naamwoord pantser pantsers
verkleinwoord pantsertje pantsertjes

Zelfstandig naamwoord

pantser o

  1. een beschermende laag om dieren of voorwerpen, een soort harnas
    Door zijn pantser was de ridder nog in leven na de klap met het zwaard.
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
pantseren

pantser

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pantseren
    Ik pantser.
  2. gebiedende wijs van pantseren
    Pantser!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pantseren
    Pantser je?
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen