pantser
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- pant·ser
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | pantser | pantsers |
| verkleinwoord | pantsertje | pantsertjes |
Zelfstandig naamwoord
pantser o
- een beschermende laag om dieren of voorwerpen, een soort harnas
- Door zijn pantser was de ridder nog in leven na de klap met het zwaard.
Vertalingen
1. een beschermende laag om dieren of voorwerpen
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| pantseren |
pantser