laag

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • laag
enkelvoud meervoud
naamwoord laag lagen
verkleinwoord laagje laagjes

Zelfstandig naamwoord

laag v/m

  1. iets dat zich in twee richtingen uitstrekt maar in de derde een beperkte dikte heeft
    Deze laag bevat opvallend veel iridium, dankzij de meteorietinslag van 65 miljoen jaar geleden.
  2. (sociologie) sociale klasse
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen laag lager laagst
verbogen lage lagere laagste

Bijvoeglijk naamwoord

laag

  1. fysiek niet ver boven iets anders zijn
  2. niet vergevorderd zijn in een rangorde of volgorde
  3. (geluid) met een klein aantal trillingen per tijdseenheid
  4. met een beperkt aanzien
  5. gemeen
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Meer informatie


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord laag lae

Zelfstandig naamwoord

laag

  1. laag
stellend attributief vergrotend overtreffend
laag lae laer laagste

Bijvoeglijk naamwoord

laag

  1. laag