opruien

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·rui·en
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
opruien
ruide op
opgeruid
zwak -d volledig

Werkwoord

opruien

  1. (overgankelijk) kwaad en opgewonden maken
    Het publiek werd opgeruid door de fanatieke redevoering.
Synoniemen
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen