ontlasten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ont·las·ten
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
ontlasten
ontlastte
ontlast
zwak -t volledig

Werkwoord

ontlasten

  1. (overgankelijk) een last verminderen
    Zij wierpen alles wat niet absoluut noodzakelijk was weg om zo de pakdieren te ontlasten.
  2. (overgankelijk) een belasting verminderen
    De nieuwe rondweg ontlastte het verkeer in de stad maar voor een korte tijd; daarna waren de opstoppingen weer een dagelijks verschijnsel
  3. (wederkerend) zich ~ zich ontdoen van zijn uitwerpselen
    Na inneming van laxatieven wist hij zich eindelijk te ontlasten.
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen