ontlasten
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ont·las·ten
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| ontlasten |
ontlastte |
ontlast |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
ontlasten
- (overgankelijk) een last verminderen
- Zij wierpen alles wat niet absoluut noodzakelijk was weg om zo de pakdieren te ontlasten.
- (overgankelijk) een belasting verminderen
- De nieuwe rondweg ontlastte het verkeer in de stad maar voor een korte tijd; daarna waren de opstoppingen weer een dagelijks verschijnsel
- (wederkerend) zich ~ zich ontdoen van zijn uitwerpselen
- Na inneming van laxatieven wist hij zich eindelijk te ontlasten.