onteren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ont·eren
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| onteren |
onteerde |
onteerd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
onteren
- (overgankelijk) iemand van zijn of haar eer beroven
- En er kwamen Babyloniers tot haar om liefdesgemeenschap met haar te hebben; zij onteerden haar met hun ontucht, en toen zij door hen onteerd was, keerde zij zich van hen af.[1]
Afgeleide begrippen
Verwijzingen
- ↑ Ezechiël 23: 17