omwisselen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- om·wis·se·len
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| omwisselen |
wisselde om |
omgewisseld |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
omwisselen
- (overgankelijk) het één van plaats ruilen met het ander
- Hij wisselde de beide beeldjes om.
- (overgankelijk) het één ruilen voor het ander
- Hij wisselde zijn kaarten voor de voorstelling om voor kaarten voor een andere datum.
Vertalingen
1. het één vervangen door het ander
2. het één ruilen voor het ander