wisselen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- wis·se·len
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| wisselen |
wisselde |
gewisseld |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
wisselen
- (inergatief) veranderen
- Hij moest van de leraar van plaats wisselen.
- (inergatief) op een ander spoor overgaan van treinen
- De trein moest snel wisselen.
- (overgankelijk) het een voor het ander nemen of geven
- Kunt u dit product voor mij wisselen?
- (overgankelijk) groot geld ruilen voor klein geld of geld ruilen voor andere valuta
- Ik wil graag honderd euro wisselen. Kan dat hier?