omdijken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak

(klemtoonhomogram)

naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
omdijken omdijkend
omdijking omdijkt
Woordafbreking
  • om·dij·ken
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het naamwoord dijk met het voorvoegsel om-.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
omdijken
omdijkte
omdijkt
zwak -t volledig

Werkwoord

omdíjken

  1. (overgankelijk) een gebied omringen met dijken
    De Markerwaard is wel omdijkt, maar nooit drooggelegd.

Zelfstandig naamwoord

ómdijken mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord omdijk