nuttig

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • nut·tig
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van nut met het achtervoegsel -ig
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen nuttig nuttiger nuttigst
verbogen nuttige nuttigere nuttigste
partitief nuttigs nuttigers -

Bijvoeglijk naamwoord

nuttig

  1. van nut zijnde
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
nuttigen

nuttig

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van nuttigen
    Ik nuttig.
  2. gebiedende wijs van nuttigen
    Nuttig!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van nuttigen
    Nuttig je?